Geschiedenis van Doezum en “de Eest”

Vorige pagina

Doordat de monniken de zeesluis steeds verder oplegden in verband met hun inpolderingen, werd het afwateringskanaal van de Doezumers al maar langer. Ze hebben echter altijd geweigerd mee te werken aan het onderhoud van de waterstaatkundige werken van het klooster beneden de Schalkendam. Per slot van rekening kwamen ze er met een magermanneken af. Een paar eeuwen brachten ze het water op de Visvlietervaart. Pas nadat het Hoendiep gereed gekomen was in 1657, werd deze tocht een enorm stuk ingekort en kon men door de Dorpsterzijl op dit diep lozen. Evenals alle lage landen in het Westerkwartier, stonden een groot deel van het jaar de Doezumer en Kornhornster Mieden onder water. De capaciteit van de bochtige Zijlroe, die een groot gebied moest ontlasten, was maar heel gering. Ten noorden van de Peebos sloot ze haaks aan op het in 1573 gegraven Kolonelsdiep, waarin door sluizen een vrij hoog peil werd gehandhaafd. Pas in de vorige eeuw heeft men de afsnijding gemaakt, die een betere afvoer waarborgt.

De Doezumer landerijen liepen zuidwaarts uit in het veen, dat zich tot de Noordwijker Leidijk uitstrekte. Dit veen heeft lang niet de betekenis en waarde gehad van het Grootegaster veen. Het was eigenlijk een heideveld met in de laagten een veenafzetting van slechte kwaliteit. Op een hoge heidekop werden hier sporen aangetroffen van een vroegere bewoning. Jonker Polman speculeerde op een rendabele turfwinning. De rechte zandweg, die naar het veen liep, heet nog de Polma(n)laan.

Lees verder