Geschiedenis van Doezum en “de Eest”

Vorige pagina

De oudste graven in de kerk zijn van boerengeslachten. In het wapenbeeld zien we dan ook de hier in het noorden telkens terugkerende symbolen van de drie klaverbladen, die wijzen op weidebezit en veeteelt. De oudste zerk, van 1612, bewaart de gedachtenis van Harrit Bensema, de boer van Bensemaheerd in het westen van Doezum. In 1643 kocht kapitein Polman de heerd van Fop Bentsema. De grafsteen met het jaartal 1628, gewijd aan Amse Eewes, waarvan we niets weten, is opvallend door de wapens. In de ene helft ziet men een ridder met een zwaard boven zijn hoofd en in de andere twee tegenover elkaar geplaatste leeuwen, die half uit het water oprijzen. Onder twee andere zerken rusten Weyt Sickema, de grietman, en zijn vrouw Tjauck Iwema, uit het oude Iwemageslacht van Niebert. Weyt overleed 3 mei 1632 en Tjauck op 16 april 1639. Waarschijnlijk woonden ze op de Ayckemaheerd op de noordzijde van de Eesterborg. Verder zijn er twee graven van het geslacht Polman. Het ene is de rustplaats van overste luitenant Johan Polman. hoveling op de Ees, overleden 15 december 1653. Het andere is dat van de op ongeveer 20-jarige leeftijd overleden achterneef, ook een Johan Polman. Tenslotte is er nog een graf van 1715, waarin begraven ligt Meerten Harmens, koopman en kerkvoogd te Doezum.

In het jaar 1696 werd op het Doezumer kerkhof de nieuwe klok in ontvangst genomen door de karspellieden. Het opschrift vermeldt, dat toen Kerkvoogden waren, Johan Clant van Aduard (Ees), prof. Gerhard Lammers en Marten Hermens. De klok werd gegoten door Petrus Overney uit Leeuwarden. Kerkhoven werden vroeger algemeen langs de randen beplant met opgaand hout. In 1865 werden van het kerkhof te Doezum nog 66 stuks zware eiken verkocht. Na de invoering van de Gereformeerde godsdienst in 1595 is Doezum steeds gecombineerd geweest met Grootegast. Beide gemeenten werden door één predikant bediend. De vraag, hoever deze combinatie reikte, heeft de eerwaarde broeders van de gemeenschappelijke kerkenraad vooral in 1849 bezig gehouden. Er ontstond een controverse over de kwestie, of de gemeenteleden van Doezum voor zichzelf hun ambtsdragers mochten kiezen of niet. De leden van Grootegast en de predikant wensten een ongedeelde stemming. De Doezumers hebben zich tenslotte geconformeerd. In diaconale zaken en sommige administratieve aangelegenheden mocht Doezum zijn eigen boontjes doppen.

Lees verder